Kinderverhaal: De schim

Dit verhaal is nog niet af. Mijn zoon Tristan en ik werken er samen aan. Ben jij onder de 12 jaar en heb je nog ideetjes hoe het verhaaltje verder loopt? Stuur je idee naar reactie@ingesleegers. We zijn heel benieuwd!

Johan liep door het bos. Hij had geen idee waar hij was. Alle bomen leken op elkaar, het werd al donker en hij vond de weg naar huis niet meer. Terwijl de zon de wereld donkerrood kleurde en achter de bomen verdween, verloor Johan alle moed.  Hij zakte neer op een boomstronk en snikte zachtjes. Een geluid in de verte deed hem schrikken.
 ‘Wie is daar?’ riep hij.
 Er kwam geen antwoord. Had hij het soms gedroomd?
Nee hoor, daar klonk het opnieuw door het bos als een echo.
 ‘Wie is daar?’ herhaalde hij.
  Het bleef stil.
 Johan liep in de richting van het geluid. Was dat wel een goed idee? Misschien was het een wild beest. Of een bosmonster. Zijn nieuwsgierigheid won het van zijn angst.
 Tot zijn grote verbazing kwam hij bij een grot. Een groot gapend gat staarde hem aan waar de ingang zat. Een geluid ontsnapte eruit. Het leek wel een schreeuw.
 Johan werd een beetje bang. Intussen was het pikdonker in het bos. Hij hoorde een donderslag in de verte. Johan was bang voor de grot, maar nog banger voor onweer. Met een klein hartje betrad hij de grot. Het was er donker, koud en een beetje vochtig. Zijn voeten zogen zich lichtjes vast aan de glibberige vloer. Zijn wangen werden klam. Het rommelde in het binnenste van de grot en in Johans buik.
In de verte weerklonk een echo.
 ‘Ha…ha…ha…’ klonk het.
 Wie lachte daar? Was dat wel een lach?
‘Ha…Halloooo…’ Het holle geluid vulde de hele ruimte.
 ‘Hallo?’ vroeg Johan voorzichtig op zijn beurt. ‘Wie is daar?’
 ‘Wat doe jij in mijn huis?’ galmde de vreemde stem.
Ze klonk dichterbij en minder hol. Of de vraag vriendelijk bedoeld was, wist Johan niet.
 ‘Ik was bang voor het onweer en wilde schuilen.’
 Het gedreun van de regendruppels buiten bevestigden zijn verhaal.
 ‘Wie ben jij?’ vroeg Johan.
 ‘Deze grot is van mij,’ galmde het opnieuw.
 Er lag iets dreigend in dat antwoord.
 ‘Ik wist niet waar anders naartoe,’ zei Johan. Hij haalde zijn schouders op, niet zeker of zijn gesprekspartner dat kon zien.
 ‘Niemand heeft ooit deze plek verlaten.’
 Johan slikte. Waar was hij beland? De onweersbui klonk plots heel aantrekkelijk. Hij durfde zich niet te bewegen. Bovendien was het verderop aardedonker. Johan was doodsbang voor het donker. Zelfs thuis, mocht zijn slaapkamerdeur nooit helemaal dicht.
 ‘Waarom sta je daar zo?’ vroeg de stem.
 Stomme vraag, dacht Johan.
 ‘Ik… Ik ben bang voor het do… donker,’ stotterde hij.
 ‘Ik ook,’ klonk het antwoord.
 Johan fronste zijn wenkbrauwen. Wat was dat voor een antwoord? Johan had alle redenen om bang te zijn voor het donker. Hij zat vast in een vieze grot met een vreemd wezen. Waarom het wezen bang was voor het donker, daar had hij het raden naar. Hij durfde het alleszins niet te vragen.
 ‘Ben je altijd bang in het donker?’ vroeg de vreemde bewoner van de grot.
Natuurlijk, dacht Johan, maar het ergst in donkere ruimtes waar griezelige stemmen wonen.
‘Ja,’ leek hem het veiligste antwoord.
Het bleef even stil.
‘Dat betert wel,’ zei de stem. ‘Als je lang genoeg in het donker blijft, wordt het minder eng.’
Dat betwijfelde Johan. Trouwens, waarom was hij dan zogezegd nog steeds bang in het donker? Misschien moest hij ook maar eens een vraag stellen.
‘Woon je hier al lang?’
‘Al heel lang.’
‘Hoe lang? Meer dan een jaar?’
‘Dat zeker. Hoe lang herinner ik me niet. Het lijkt of ik hier altijd al was.’
‘Woon je hier alleen?’ Een geluid verspreidde zich door de ruimte. Het klonk als een zucht.
‘Ja,’ zei de stem triest.
‘Heb je geen mama en papa?’
‘Niet dat ik me herinner.’
Dat vond Johan droevig. Het was vast niet leuk, hier helemaal alleen in het donker, zonder een mama om koekjes te bakken en je troosten als je verdrietig was of een papa om mee te ravotten. Hij kreeg een beetje medelijden.
‘Met wie speel je dan?’
‘Met niemand.’ De stem klonk ver weg, alsof de spreker zich verder verstopt had in de grot. ‘Hier komt nooit iemand.’
De ijzige stormwind waaide af en toe dieper de grot binnen en deed Johan rillen. Hij kroop dichter tegen de vochtige wand aan, wat niet echt beter was.
‘Wil jij met me spelen?’ klonk het voorzichtig uit de diepte.
In de vraag lag zulk een verlangen, dat het Johan deed twijfelen.
‘Dat durf ik niet,’ antwoordde hij eerlijk. ‘Ik ken je niet eens. Misschien ben je wel een monster.’
Een geluid overspoelde de grot als een golf die het strand raakt. Johan wist niet wat het betekende. Was het wezen boos? Of… huilde het? Minutenlang hoorde hij niets, alleen enkele druppels die naar beneden vielen verstoorden de stilte. Was hij maar thuis, in zijn warme bed.
Zouden zijn ouders naar hem op zoek zijn? Ach, wat maakte het uit. Het zou sowieso tot de ochtend duren voor iemand hem vond. Johan kroop in een bolletje tegen de muur aan. Het vocht drong wat door zijn kleren, maar het kon hem niet schelen. Hij voelde zich ellendig.  Het geluid klonk opnieuw, nu in korte stukjes met tussenpauzen. Het leek een beetje op snikken. 
'Ben je verdrietig?' vroeg hij schuldig.
'Ja. Omdat jij niet met me wil spelen. En zegt dat ik een monster ben.'
'Dat heb ik niet gezegd,' protesteerde Johan. 'Ik zei dat je misschien een monster bent.'
'Dat is hetzelfde.'
'Niet waar.'
'Welles.'
'Nietes!' riep Johan boos. 'Laat je dan zien he!'
Johan sloeg zijn handen voor zijn mond. Bijna onmiddellijk had hij spijt van zijn woorden. Hij wilde helemaal niet dat het wezen zijn richting uit kwam. Wat als het echt een monster was?

Het rommelde diep in de grot. Een schuifelend geluid, als klauwen die over een stenen vloer krasten, naderde hem. Zijn hart klopte in zijn keel. Hij schoof voorzichtig omhoog tegen de gladde wand. Paniek raasde door zijn lijf. Hij kon nergens naartoe.
 In het maanlicht rekte een lange schaduw zich uit vanuit een van de gangen en wierp een zwarte streep voor zijn voeten. Hij wilde snel wegrennen, naar de uitgang van de grot, maar zijn benen wilden niet. Hij durfde niet te bewegen van de schrik. De schaduw maakte plaats voor een geschubde poot, die eindigde in scherpe nagels. Een tweede voorpoot volgde snel. Zelfs in het schemerduister zag Johan dat de schubben vuurrood waren. De nagels waren dan weer pikzwart. Meer en meer delen van het schepsel kwamen tevoorschijn. De poten eindigden in een benige borst, die op zijn beurt overging in een lange hals. Als laatste kwam de kop tevoorschijn. Die deed hem denken aan de kop van een triceratops, je weet wel, zo'n dino met een benige kraag en drie hoorns. Alleen had dit dier - of wat het ook mocht zijn - geen drie grote hoorns, maar allemaal kleintjes op de rand van zijn kraag. Het schepsel behield zijn afstand, waardoor de rest van zijn lijf verborgen bleef. 
'Zie je nu wel, dat ik geen monster ben? Dat was echt niet lief, hoor.'
Johan was niet overtuigd. Het beest was zeker dubbel zo groot als hij en zag er angstaanjagend uit. Hij wilde het niet boos maken, dus vroeg hij: 'Wat ben je dan wel?'
'Ik, meneertje de wijsneus, ben een vuursteendraak. De laatste van mijn soort.'
Wow, dacht Johan, een draak? Draken bestonden toch helemaal niet? Hij was vast aan het dromen. Ja, dat was het. Straks werd hij gewoon wakker en was het allemaal  een vreselijke nachtmerrie. 
'Waarom kijk je zo raar?' zei de draak. 'Je gelooft me niet.'
'Eh... jawel,' zei Johan snel. 'Het is alleen... Ik heb nog nooit een draak gezien. Ik dacht...'
'Dat draken niet bestonden zeker? Typisch.'
'Waarom typisch?' reageerde Johan geërgerd. 
De draak snoof. Heel even was Johan bang dat er vuur uit zijn neusgaten zou komen, maar dat gebeurde niet. 'Iedereen denkt dat draken niet bestaan. Net zoals elfjes, trollen en kabouters.'
'Ik dacht dat die enkel in sprookjes bestonden. Heb jij ooit een kabouter gezien dan?'
De draak zuchtte en rolde met zijn roodgevlamde ogen. 'Natuurlijk niet. Kabouters zijn bang voor draken.'
'Mensen ook,' zei Johan snel. 
De draak kwam dichterbij. Het schuiven van zijn zware poten over de glibberige ondergrond deed hem denken aan het geluid van de krokodillen in de zoo. Hij was nog steeds niet op zijn gemak. Een rilling trok door zijn ruggengraat. Hij deinsde verder achteruit, de muur die in zijn rug drukte gaf aan dat dat geen optie was. Langzaam boog het gigantische reptiel zijn (of haar?) kop naar hem toe. Hij keek recht in de rode pupillen van de vuursteendraak, die omgeven waren door op en neer dansende gele flakkeringen. Het leek alsof er een echt vuur brandde in zijn ogen.  
'Mensen jagen op draken,' siste hij.
'Da... dat is niet waar,' stotterde Johan. 'Hoe kan dat? We weten niet eens dat ze bestaan.'
Het monster staarde hem even achterdochtig aan. Zijn neus was op slechts tien centimeter van Johans gezicht. Het enige aangename daaraan, was de warmte die uit zijn neusgaten kwam. De draak boog zijn immense kop wat naar achter, wat Johan meer ademruimte gaf. 
'Er is een reden waarom ik in deze grot woon,' sprak de draak met een diepe zucht. 'Die reden zijn jullie.'
Johan zweeg. De draak veerde neer op zijn achterpoten. 'Lang geleden, toen alle dieren nog spraken, leefden mensen en draken in vrede samen. Tot de mensen beslisten dat ze de baas over ons wilden spelen. Ze wilden ons vangen en op ons rijden. Wij zijn geen huisdieren! Dus we vochten terug. De strijd duurde honderden jaren. In het begin wonnen we. Doorheen de eeuwen kregen de mensen betere wapens, zoals zwaarden en katapulten. Er bleven steeds minder draken over.'
Het verhaal pauzeerde. Er liep iets waterig over de wangen van de draak. Ook al geloofde Johan zijn verhaal niet helemaal, hij vond het wel erg dat hij huilde. 
'Ik ben de laatste van mijn soort. Er is niemand meer over. Mijn mama en papa niet, mijn broers en zusjes niet... Ik zit al eeuwen moederziel alleen onder de grond.'
Johan begreep het niet. Als hij zo bang was voor mensen, waarom was hij dan uit zijn schuilplaats gekomen? 
'Als je mensen zo haat, waarom toon je jezelf dan?'
Met een ruk draaide de draak zijn kop. 'Ik... ik voelde me zo eenzaam. Je klonk niet boosaardig.'
'Dat ben ik ook niet,' beaamde Johan. 
'Wil je spelen?' vroeg de draak hoopvol. 
'Ik ken niet eens je naam.'
'Ik de jouwe ook niet, klonk het eigenwijs.
Hij heeft gelijk, dacht Johan. 'Ik ben Johan,' stelde hij zich voor. 'Hoe heet jij?'

 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.