Kinderverhaal: De schim

Dit verhaal is nog niet af. Mijn zoon Tristan en ik werken er samen aan. Ben jij onder de 12 jaar en heb je nog ideetjes hoe het verhaaltje verder loopt? Stuur je idee naar reactie@ingesleegers. We zijn heel benieuwd!

Hoe moet het verhaal (voorlopig) eindigen?

Johan liep door het bos. Hij had geen idee waar hij was. Alle bomen leken op elkaar, het werd al donker en hij vond de weg naar huis niet meer. Terwijl de zon de wereld donkerrood kleurde en achter de bomen verdween, verloor Johan alle moed.  Hij zakte neer op een boomstronk en snikte zachtjes. Een geluid in de verte deed hem schrikken.
 ‘Wie is daar?’ riep hij.
 Er kwam geen antwoord. Had hij het soms gedroomd?
Nee hoor, daar klonk het opnieuw door het bos als een echo.
 ‘Wie is daar?’ herhaalde hij.
  Het bleef stil.
 Johan liep in de richting van het geluid. Was dat wel een goed idee? Misschien was het een wild beest. Of een bosmonster. Zijn nieuwsgierigheid won het van zijn angst.
 Tot zijn grote verbazing kwam hij bij een grot. Een groot gapend gat staarde hem aan waar de ingang zat. Een geluid ontsnapte eruit. Het leek wel een schreeuw.
 Johan werd een beetje bang. Intussen was het pikdonker in het bos. Hij hoorde een donderslag in de verte. Johan was bang voor de grot, maar nog banger voor onweer. Met een klein hartje betrad hij de grot. Het was er donker, koud en een beetje vochtig. Zijn voeten zogen zich lichtjes vast aan de glibberige vloer. Zijn wangen werden klam. Het rommelde in het binnenste van de grot en in Johans buik.
In de verte weerklonk een echo.
 ‘Ha…ha…ha…’ klonk het.
 Wie lachte daar? Was dat wel een lach?
‘Ha…Halloooo…’ Het holle geluid vulde de hele ruimte.
 ‘Hallo?’ vroeg Johan voorzichtig op zijn beurt. ‘Wie is daar?’
 ‘Wat doe jij in mijn huis?’ galmde de vreemde stem.
Ze klonk dichterbij en minder hol. Of de vraag vriendelijk bedoeld was, wist Johan niet.
 ‘Ik was bang voor het onweer en wilde schuilen.’
 Het gedreun van de regendruppels buiten bevestigden zijn verhaal.
 ‘Wie ben jij?’ vroeg Johan.
 ‘Deze grot is van mij,’ galmde het opnieuw.
 Er lag iets dreigend in dat antwoord.
 ‘Ik wist niet waar anders naartoe,’ zei Johan. Hij haalde zijn schouders op, niet zeker of zijn gesprekspartner dat kon zien.
 ‘Niemand heeft ooit deze plek verlaten.’
 Johan slikte. Waar was hij beland? De onweersbui klonk plots heel aantrekkelijk. Hij durfde zich niet te bewegen. Bovendien was het verderop aardedonker. Johan was doodsbang voor het donker. Zelfs thuis, mocht zijn slaapkamerdeur nooit helemaal dicht.
 ‘Waarom sta je daar zo?’ vroeg de stem.
 Stomme vraag, dacht Johan.
 ‘Ik… Ik ben bang voor het do… donker,’ stotterde hij.
 ‘Ik ook,’ klonk het antwoord.
 Johan fronste zijn wenkbrauwen. Wat was dat voor een antwoord? Johan had alle redenen om bang te zijn voor het donker. Hij zat vast in een vieze grot met een vreemd wezen. Waarom het wezen bang was voor het donker, daar had hij het raden naar. Hij durfde het alleszins niet te vragen.
 ‘Ben je altijd bang in het donker?’ vroeg de vreemde bewoner van de grot.
Natuurlijk, dacht Johan, maar het ergst in donkere ruimtes waar griezelige stemmen wonen.
‘Ja,’ leek hem het veiligste antwoord.
Het bleef even stil.
‘Dat betert wel,’ zei de stem. ‘Als je lang genoeg in het donker blijft, wordt het minder eng.’
Dat betwijfelde Johan. Trouwens, waarom was hij dan zogezegd nog steeds bang in het donker? Misschien moest hij ook maar eens een vraag stellen.
‘Woon je hier al lang?’
‘Al heel lang.’
‘Hoe lang? Meer dan een jaar?’
‘Dat zeker. Hoe lang herinner ik me niet. Het lijkt of ik hier altijd al was.’
‘Woon je hier alleen?’ Een geluid verspreidde zich door de ruimte. Het klonk als een zucht.
‘Ja,’ zei de stem triest.
‘Heb je geen mama en papa?’
‘Niet dat ik me herinner.’
Dat vond Johan droevig. Het was vast niet leuk, hier helemaal alleen in het donker, zonder een mama om koekjes te bakken en je troosten als je verdrietig was of een papa om mee te ravotten. Hij kreeg een beetje medelijden.
‘Met wie speel je dan?’
‘Met niemand.’ De stem klonk ver weg, alsof de spreker zich verder verstopt had in de grot. ‘Hier komt nooit iemand.’
De ijzige stormwind waaide af en toe dieper de grot binnen en deed Johan rillen. Hij kroop dichter tegen de vochtige wand aan, wat niet echt beter was.
‘Wil jij met me spelen?’ klonk het voorzichtig uit de diepte.
In de vraag lag zulk een verlangen, dat het Johan deed twijfelen.
‘Dat durf ik niet,’ antwoordde hij eerlijk. ‘Ik ken je niet eens. Misschien ben je wel een monster.’
Een geluid overspoelde de grot als een golf die het strand raakt. Johan wist niet wat het betekende. Was het wezen boos? Of… huilde het? Minutenlang hoorde hij niets, alleen enkele druppels die naar beneden vielen verstoorden de stilte. Was hij maar thuis, in zijn warme bed.
Zouden zijn ouders naar hem op zoek zijn? Ach, wat maakte het uit. Het zou sowieso tot de ochtend duren voor iemand hem vond. Johan kroop in een bolletje tegen de muur aan. Het vocht drong wat door zijn kleren, maar het kon hem niet schelen. Hij voelde zich ellendig.  Het geluid klonk opnieuw, nu in korte stukjes met tussenpauzen. Het leek een beetje op snikken. 
'Ben je verdrietig?' vroeg hij schuldig.
'Ja. Omdat jij niet met me wil spelen. En zegt dat ik een monster ben.'
'Dat heb ik niet gezegd,' protesteerde Johan. 'Ik zei dat je misschien een monster bent.'
'Dat is hetzelfde.'
'Niet waar.'
'Welles.'
'Nietes!' riep Johan boos. 'Laat je dan zien he!'
Johan sloeg zijn handen voor zijn mond. Bijna onmiddellijk had hij spijt van zijn woorden. Hij wilde helemaal niet dat het wezen zijn richting uit kwam. Wat als het echt een monster was?

Het rommelde diep in de grot. Een schuifelend geluid, als klauwen die over een stenen vloer krasten, naderde hem. Zijn hart klopte in zijn keel. Hij schoof voorzichtig omhoog tegen de gladde wand. Paniek raasde door zijn lijf. Hij kon nergens naartoe.
 In het maanlicht rekte een lange schaduw zich uit vanuit een van de gangen en wierp een zwarte streep voor zijn voeten. Hij wilde snel wegrennen, naar de uitgang van de grot, maar zijn benen wilden niet. Hij durfde niet te bewegen van de schrik. De schaduw maakte plaats voor een geschubde poot, die eindigde in scherpe nagels. Een tweede voorpoot volgde snel. Zelfs in het schemerduister zag Johan dat de schubben vuurrood waren. De nagels waren dan weer pikzwart. Meer en meer delen van het schepsel kwamen tevoorschijn. De poten eindigden in een benige borst, die op zijn beurt overging in een lange hals. Als laatste kwam de kop tevoorschijn. Die deed hem denken aan de kop van een triceratops, je weet wel, zo'n dino met een benige kraag en drie hoorns. Alleen had dit dier - of wat het ook mocht zijn - geen drie grote hoorns, maar allemaal kleintjes op de rand van zijn kraag. Het schepsel behield zijn afstand, waardoor de rest van zijn lijf verborgen bleef. 
'Zie je nu wel, dat ik geen monster ben? Dat was echt niet lief, hoor.'
Johan was niet overtuigd. Het beest was zeker dubbel zo groot als hij en zag er angstaanjagend uit. Hij wilde het niet boos maken, dus vroeg hij: 'Wat ben je dan wel?'
'Ik, meneertje de wijsneus, ben een vuursteendraak. De laatste van mijn soort.'
Wow, dacht Johan, een draak? Draken bestonden toch helemaal niet? Hij was vast aan het dromen. Ja, dat was het. Straks werd hij gewoon wakker en was het allemaal  een vreselijke nachtmerrie. 
'Waarom kijk je zo raar?' zei de draak. 'Je gelooft me niet.'
'Eh... jawel,' zei Johan snel. 'Het is alleen... Ik heb nog nooit een draak gezien. Ik dacht...'
'Dat draken niet bestonden zeker? Typisch.'
'Waarom typisch?' reageerde Johan geërgerd. 
De draak snoof. Heel even was Johan bang dat er vuur uit zijn neusgaten zou komen, maar dat gebeurde niet. 'Iedereen denkt dat draken niet bestaan. Net zoals elfjes, trollen en kabouters.'
'Ik dacht dat die enkel in sprookjes bestonden. Heb jij ooit een kabouter gezien dan?'
De draak zuchtte en rolde met zijn roodgevlamde ogen. 'Natuurlijk niet. Kabouters zijn bang voor draken.'
'Mensen ook,' zei Johan snel. 
De draak kwam dichterbij. Het schuiven van zijn zware poten over de glibberige ondergrond deed hem denken aan het geluid van de krokodillen in de zoo. Hij was nog steeds niet op zijn gemak. Een rilling trok door zijn ruggengraat. Hij deinsde verder achteruit, de muur die in zijn rug drukte gaf aan dat dat geen optie was. Langzaam boog het gigantische reptiel zijn (of haar?) kop naar hem toe. Hij keek recht in de rode pupillen van de vuursteendraak, die omgeven waren door op en neer dansende gele flakkeringen. Het leek alsof er een echt vuur brandde in zijn ogen.  
'Mensen jagen op draken,' siste hij.
'Da... dat is niet waar,' stotterde Johan. 'Hoe kan dat? We weten niet eens dat ze bestaan.'
Het monster staarde hem even achterdochtig aan. Zijn neus was op slechts tien centimeter van Johans gezicht. Het enige aangename daaraan, was de warmte die uit zijn neusgaten kwam. De draak boog zijn immense kop wat naar achter, wat Johan meer ademruimte gaf. 
'Er is een reden waarom ik in deze grot woon,' sprak de draak met een diepe zucht. 'Die reden zijn jullie.'
Johan zweeg. De draak veerde neer op zijn achterpoten. 'Lang geleden, toen alle dieren nog spraken, leefden mensen en draken in vrede samen. Tot de mensen beslisten dat ze de baas over ons wilden spelen. Ze wilden ons vangen en op ons rijden. Wij zijn geen huisdieren! Dus we vochten terug. De strijd duurde honderden jaren. In het begin wonnen we. Doorheen de eeuwen kregen de mensen betere wapens, zoals zwaarden en katapulten. Er bleven steeds minder draken over.'
Het verhaal pauzeerde. Er liep iets waterig over de wangen van de draak. Ook al geloofde Johan zijn verhaal niet helemaal, hij vond het wel erg dat hij huilde. 
'Ik ben de laatste van mijn soort. Er is niemand meer over. Mijn mama en papa niet, mijn broers en zusjes niet... Ik zit al eeuwen moederziel alleen onder de grond.'
Johan begreep het niet. Als hij zo bang was voor mensen, waarom was hij dan uit zijn schuilplaats gekomen? 
'Als je mensen zo haat, waarom toon je jezelf dan?'
Met een ruk draaide de draak zijn kop. 'Ik... ik voelde me zo eenzaam. Je klonk niet boosaardig.'
'Dat ben ik ook niet,' beaamde Johan. 
'Wil je spelen?' vroeg de draak hoopvol. 
'Ik ken niet eens je naam.'
'Ik de jouwe ook niet, klonk het eigenwijs.
Hij heeft gelijk, dacht Johan. 'Ik ben Johan,' stelde hij zich voor. 'Hoe heet jij?'
'Vuursteentje.'
'Vuursteentje?' Johans ogen gleden over de kop van de draak, waaruit nog steeds pluimpjes rook ontsnapten en zijn gigantische geschubte lijf, dat eindigde in een puntige staart. Hij schoot in de lach en sloeg nog net op tijd zijn hand voor zijn mond.
'Wat is er zo grappig?' vroeg de draak verontwaardigd.
'Sorry, maar je naam... Ik vind dat die niet echt bij je past.'
'Ach, zo,' zei de draak terwijl hij zijn wenkbrauwen fronste.  'Johan is zeker beter? Dat is pas een belachelijke naam.'
Het lachen verging Johan.  'Dat is niet lief,' zei hij boos. 
'Jij bent ook niet lief,' kaatste Vuursteentje terug.
Het bleef even stil. Johan sloeg koppig zijn armen over elkaar. De draak smeet zijn zware lijf met een bons op de grond en zuchtte.
'Gaan we nu eindelijk spelen?'
Johan antwoordde niet. Hij had helemaal geen zin  om met dat onbeschofte dier te spelen. Zijn naam belachelijk noemen, phoe! Wie was er belachelijk? Hij woonde tenminste niet in een vuil glibberig hol zonder vrienden.
'Ik weet niks om te spelen,' zei hij kort. 
'Ik wel,' antwoordde Vuursteentje, terwijl hij al zijn tanden bloot grijnsde. Een rij vlijmscherpe messen weerspiegelde in het maanlicht. Johan slikte. Hij was nog steeds niet op zijn gemak.
'Wil je niet weten wat?' vervolgde de draak, terwijl hij enthousiast met zijn staart zwiepte. Het deed Johan denken aan de griezelversie van een blije puppy. Johan knikte bevestigend, om de draak plezier te doen.
'Ik ben erg goed met stenen. Als jij een steen naar me gooit, kets ik die terug, goed?'
Met een zucht krabbelde Johan recht. Hij speurde de wanden en vloer van de grot af op zoek naar een losse steen, maar vond geen groot genoeg exemplaar. Of toch, daar, vlak voor de poten van de draak lag iets rond en glimmend.  Johan schuifelde voetje voor voetje dichterbij. De gevlamde ogen van Vuursteentje volgden elke beweging. Ongeveer een meter voor zijn poten stopte Johan en knielde. Hij strekte zijn arm zo ver als hij kon. Zijn vingertoppen raakten net de steen, maar hij kreeg de steen niet te pakken. Vuursteentje strekte een nagel. De steen wipte doelgericht naar Johan. Bij de aanblik van de enorme nagel die de hoogte in ging, ontsnapte Johan een gil. Vuursteentje schrok en schuifelde achteruit. De beweging weerklonk door de grot alsof twee stenen over elkaar schuurden. 
'Ben jij... bang voor mij?' vroeg hij met grote ogen.
Johan krabbelde recht en keek Vuursteentje zijdelings aan. Hij knikte voorzichtig.
'Waarom?' 
Johan slikte even.
'Het komt door je ogen. Het lijkt of ze in brand staan. Dat is eng.''
'Wat is er mis met mijn ogen? Het zijn heel normale drakenogen hoor!' zei Vuursteentje verontwaardigd. 
'Daar zeg je het, normaal voor een draak.'
'Ja, wat dacht je dan? Dat ik van die vieze hondenogen had?'
'Ik dacht helemaal niets. Ik heb nog nooit een draak gezien, weet je wel?'
'In dat geval hoef je geen commentaar te geven op mijn prachtige kijkers.'
Johan zweeg. Misschien was het beter als hij zijn mond hield. Straks werd de draak echt boos en spuwde hij vuur ofzo. 
'Ga je die steen nog gooien? Of wachten we tot de zeemeerminnen hun staarten eraf vallen?'
Zeemeerminnen? Waar had hij het in godsnaam over? Dat beest was getikt, dacht Johan. 
'Zitten hier zeemeerminnen?'
'Nee, gekkerd,' zei Vuursteentje, alsof Johan de stomste vraag ooit had gesteld. 'Die zitten in de zee, natuurlijk. Zee-meerminnen, snap je? Kom, smijten die handel, voor ik van verveling in slaap sukkel.'
Met trillende vingers raapte Johan de steen op. Hij had beide handen nodig om het ding van de grond te tillen. Wankelend stapte hij achteruit, tot hij de vertrouwde rotswand  tegen zijn rug voelde. Hij hief de steen zo hoog mogelijk en smeet hem met volle kracht richting Vuursteentje. Die ving de steen op met een bovennatuurlijke precisie en kopte hem terug naar Johan. Het ding kwam met een duizelingwekkende snelheid op hem af. Johan sprong net op tijd opzij. De steen belandde met tegen de muur, de echo van de knal zinderde na door de grot. Johans elleboog raakte onzacht de bodem van de grot.

'He!' riep Vuursteentje teleurgesteld. 'Je moet hem wel vangen, dombo!'
Johan wreef geschrokken over de roodgevlekte schaafwond en brulde: 'Ben je gek geworden? Probeer je me soms te vermoorden?'
Hij had meteen spijt van zijn uitroep. Vuursteentje sloop behoedzaam dichterbij. Snuffelend onderzocht zijn snuit Johans been. De hete adem schroeide zijn vel. Ging Vuursteentje hem... opeten? Een rilling trok door zijn ruggengraat. Vuursteentje richtte zijn kop opnieuw op. De schrik maakte plaats voor opluchting.
'Niet flauw doen. Je ziet er oké uit.'
Johan krabbelde recht. De wond aan zijn elleboog klopte synchroon met zijn bange hart.
Hij vond het niet fijn dat Vuursteentje hem flauw vond, maar wilde een nieuwe ruzie vermijden.
'Jij bent veel sterker dan ik.'
Vuursteentje keek hem doordringend aan en hield zijn kop een beetje schuin. Minutenlang was het stil.
'Gooi opnieuw,' bromde zijn zware stem tenslotte.
Johan schudde zijn hoofd. Een wond was meer dan genoeg. Straks belandde die steen tegen zijn hoofd. 
'Ik wil niet meer. Ik vind dit geen leuk spel.'
'Stop met zeuren en gooi gewoon.'
Met zijn snuit duwde Vuursteentje de zware steen in zijn richting. Met een zucht greep Johan het gevaarte van de grond. Hij twijfelde. Vuursteentje knikte ongeduldig met zijn kop. Johan tilde de steen nog iets hoger en smeet. De steen volgde een boog tot voor Vuursteentje. Die opende zijn mond. Een lange, blauwgroene vlam ontsnapte eruit en raakte het rotsblok. Het plofte uit elkaar, tienduizenden minuscule glasscherven dwarrelden op de grond. 
Johans mond viel open. 'Wow. Dat is zo... cool.'
'Ik zei toch dat ik leuke spelletjes kende?' Vuursteentje grijnsde opnieuw zijn glimmende tanden bloot. 'Ik kan nog veel gavere dingen.'
'Echt? Wat kan je nog allemaal.'
Vuursteentje schraapte zijn keel. Het maakte zoveel lawaai dat de grot daverde. Een klodder spuw, zo groot als de vuist van een volwassene en de kleur van snot, vloog door de lucht. Het slijmerige  goedje raakte de grond en spatte uit elkaar. Enkele druppels raakten de schoenen van Johan, die walgend een stap opzij zetten. Enkele glimmende steentjes rolden van zijn voeten. Johan keek er verbaasd naar. Op de grond lag geen speeksel, maar een bergje  glinsterende steentjes.
'Zijn dat...?'
'Diamanten,' maakte Vuursteentje zijn zin af. 

'Johan bukte zich en nam enkel van de smaragdgroene korrels in zijn hand. Ze voelden zwaar en koel, zoals de ring van zijn grootmoeder. Hij keek op naar de draak, zijn vurige ogen glansden trots.
'Ik begrijp al waarom de mensen jullie kwaad wilde doen,' mompelde hij. Soms keek hij met mama naar het nieuws. Als er beelden van oorlog kwamen in andere landen, zapte ze meestal snel weg. Mama had hem verteld dat mensen soms vechten om geld of andere rijkdommen, zoals olie. Of diamanten.
'Wat zeg je?' vroeg Vuursteentje.
'Je mag dit aan niemand anders laten zien, hoor je,' Zei Johan streng.
'Waarom niet? Vind je het niet gaaf?'
'Jawel, ik vind het supercool. Toch moet je het verstopt houden. Het is gevaarlijk.'
'Dat begrijp ik niet.'
Johan wilde liever niet uitleggen dat niet alle mensen goede bedoelingen hadden.
'Beloof het,' zei hij in de plaats. 'Laat het ons geheim zijn.'
Vuursteentje fronste zijn gehoornde wekbrauwen. 'Oke,' zei hij tenslotte, 'als ik je daar een plezier mee doe. Wat gaan we nu spelen?'
Zijn puntige staart kwispelde. Johan vond het grappig dat Vuursteentje zo snel terug aan spelen dacht. Op de een of andere manier moest hij aan zijn kleine nichtje denken. Als zij op bezoek kwam, werd ook altijd de hele speelgoedmand uitgeladen, om met elk voorwerp twee minuten te spelen. Het opruimwerk was meestal voor hem. 
'Ik ken een leuk spel,' zei Johan stil. 'Verstoppertje.'
'Wat is dat?'

'Het is gemakkelijk. Ik doe mijn ogen dicht en tel tot tien. Ondertussen ga jij je verstoppen.'
Vuursteentje bewoog zijn kop van links naar rechts. 'Dat spel ken ik niet. Ik wil het wel proberen!'
Johan glimlachte. Zijn schouders ontspanden zich. Het enthousiasme van zijn drakenvriend was aanstekelijk. 'Goed, ik draai me nu om en begin te tellen. Een, twee...' 
De zware voetstappen van Vuursteentje galmden na door de grond. De trillingen kropen omhoog over Johans benen.

'Acht, negen, tien. Wie niet weg is, is gezien!'
Met een sprong draaide Johan zich om. Verderop, uit een van de gangen, hing een lange, rode, geschubde staart. Hij sloeg zijn hand voor zijn mond en gniffelde. 
'Gezien!', riep hij. Er volgde een zenuwachtig gescharrel op zijn uitroep. De staart verdween en maakte plaats voor de teleurgestelde grimas van Vuursteentje.
'Hoe wist je waar ik was?'
'Je moet je helemaal verstoppen. Je was je staart vergeten.'
Vuursteentje staarde beschuldigend naar het lichaamsdeel.
'Stomme staart,' gromde hij. 'Ik ben gewoon veel te groot.'
'Nu moet jij tellen,' zei Johan. 
'Ik kan niet tellen,' antwoordde de draak beschaamd.
'Hoezo? Iedereen kan toch tellen? Dat leer je op school.'
'School? Wat is dat?'
Te laat herinnerde Johan zich dat Vuursteentje hier al jaren eenzaam woonde. Hij wist dus ook niet wat school was. Gingen draken trouwens wel naar school? Johan had een idee.
'Weet je wat? Draai je om. Ik zal roepen als ik verstopt ben!'
Vuursteentje lachte breed. 'Goed idee!' Met een ruk draaide hij zijn enorme lichaam naar de rotswand. Johan moest springen om de rondzwiepende staart te ontwijken. 
'Niet piepen he!', riep hij voor hij in een inham vlak achter de hoek van de dichtstbijzijnde gang verdween. Hij vond de donkere grot nog steeds eng, dus wilde niet te ver afdwalen. Hij zakte op zijn knieën en maakte zich klein. 'Ik ben klaar!' riep hij zo hard hij kon. 
Een bekend geschuifel kwam zijn richting uit. Even later wrong een massieve roodachtige massa zich langs hem heen de gang in. Het gigantische lijf van Vuursteentje sloot de inham bijna volledig af. De duisternis omhulde Johan. Even voelde het of hij geen lucht kreeg. Toen gleed het drakenlijf verder door de gang. Het maanlicht viel opnieuw over Johans gezicht en stelde hem gerust. Stiekem stak hij zijn hoofd een stukje uit de inham en gluurde de gang in. Vuursteentje was nergens meer te zien. Vanuit het binnenste van de grot klonk kabaal. Hij moest even glimlachen. Vuursteentje was blijkbaar even sterk in zoeken als in verstoppen.
Hij hield zich stil. De minuten tikten voorbij. Het klonk alsof er een volksverhuizing plaatsvond in het hart van de grot. Het lawaai zwol aan, vertrouwde reuzenpoten bewogen in zijn richting. Vuursteentje schoof hem een tweede keer voorbij. Een diepe zucht weerklonk, stof waaide hoog op wanneer de draak zich met een plof liet neervallen in de centrale ruimte bij de ingang.
'Waar zit je? Ik vind dit geen leuk spel.'
Triomfantelijk verliet Johan zijn schuilplaats en liep naar zijn speelkameraad toe. 
'Yes!' riep hij uit. 'Twee keer gewonnen.'
Vuursteentje keek hem geërgerd aan. 'Wat een stom spel,' zuchtte hij.
Johan haalde zijn schouders op. Spelen met een draak was geen lachertje. Het leek er niet op dat ze snel iets zouden vinden wat ze allebei leuk vonden. Een gerommel in zijn buik doorprikte zijn gedachten. Zijn lege maag bracht hem terug naar de werkelijkheid. 
'Ik heb honger.'
Vuursteentje sprong op. 'Dan moeten we eten. Kom mee.'
Hij richtte zich op en stapte doelgericht een van de gangen in. Hij keerde zijn kop richting Johan. 'Waar wacht je op? Volg me.'
Johan aarzelde. Hij voelde er niks voor om Vuursteentje in de donkere gangen te volgen. Zijn maag protesteerde heftig tegen zijn twijfels. Voorzichtig volgde hij Vuursteentje de duisternis in. 
Hij richtte zijn blik op de wiegende staart, die voor hem een soort kompas was in dit labyrint van gangen en holen. Hij moest er niet aan denken dat hij Vuursteentje zou kwijt raken en hier alleen achterbleef. Gelukkig paste de draak zijn tempo aan. Ze liepen minutenlang. Het was aardedonker, tot een schijnsel in de verte hun aandacht trok. Eerst was Vuursteentjes staart slechts een bewegende schaduw, door het steeds groeiende licht was de rode kleur alweer zichtbaar. Johan kalmeerde wat. Nu hij weer een hand voor ogen zag, voelde hij zich toch comfortabeler om door de grot te manoeuvreren. De doorgangen werden breder, tot Vuursteentje halt hield in een grote, hoge hal, waar druipstenen zuilen vormden van onder tot boven. De ruimte werd spookachtig verlicht. De lichtbron bevond zich op de muren, waar miljoenen glimwormen door elkaar krioelden. Het was lugubur en tegelijk fascinerend. Nog indrukwekkender was dat Johan zijn vriend voor het eerst in zijn volle glorie zag. Vuursteentje stond in het midden van de ruimte, zijn lijf volledig opgericht nu hij daar de plaats voor had. Zijn lichaam was niet effen rood, verschillende tinten liepen in elkaar over, van een zacht lichtrood tot prachtig karmijnrood. Zijn huid weerkaatste het licht alsof het gemaakt was van het zuiverste kristal. De hoorns op zijn kop hadden een gouden schijn. Johan keek in zijn vurige ogen, waarin hij de vlammen op en neer zag dansen. Vuursteentje stond naast een boom, waarvan de takken alle kanten op slingerden. Aan het uiteinde hingen vreemde vruchten. Het leken wel appels, maar toch ook weer niet. Ze hadden een rare vorm, alsof iemand er heel hard aan getrokken had. Bovendien waren ze blauw. Niet zoals de lucht, eerder zoals de zee. Schitteringen straalden ervan af. Had iemand er glitterpoeder overheen gekapt? 
Vuursteentje lachte. 'Wat zie jij er gek uit! Jij hebt precies een strooien dakje op je hoofd.'
Johan fronste. 'Dat is geen strooien dakje. Dat is mijn haar,' gromde hij. 
'Waarom is het geel?'
'Het is niet geel. Dat heet blond.'
'Toch maar raar hoor. Waarom zit het enkel op de bovenkant van je hoofd?'
'Dat is zo bij mensenkinderen. Bij mijn papa zit het ook op zijn kin en bovenlip. Dat heet een baard en snor.'
Daar dacht de draak even over na. 'Heeft je moeder dat ook?'
'Neeee!' schrok Johan. 'Meisjes hebben geen baarden. Trouwens ook niet alle jongens hebben dat. Ik wil later geen baard.'
'Je gezicht zou er anders meer door in evenwicht zijn. Nu lijkt het of er soort vreemde plant uit je hoofd groeit. Wat is dat rare ding in het midden van je gezicht?'
Johan rolde met zijn ogen. 'Bedoel je mijn neus? Daar ruik ik mee.'
Vuursteentje lachte opnieuw smakelijk. 'Net of iemand een balletje rolde en het dan op je gezicht plakte.'
Johan was inmiddels klaar met uitgelachen worden en kneep zijn ogen boos tot spleetjes. Het gerommel in zijn buik herinnerde hem eraan dat hij nog steeds honger had. 
'Je ogen vind ik wel mooi, als je ze helemaal opendoet, tenminste. Ze doen me denken aan de oceaan, waar ik vroeger met mijn familie leefde.'
De vlammen in zijn ogen flakkerden wat minder heftig. Johan begreep dat de herinnering aan zijn familie zijn vriend verdriet deed. Vuursteentje herpakte zich snel. 
'Kom, we gaan eten,' zei hij en voegde meteen de daad bij het woord. Met een lik van zijn tong schraapte hij een dozijn glimwormen van de rotswand. De insecten kraakten tussen zijn tanden. Johan had plots geen honger meer. 
'Moe... moeten we dat eten?' stotterde hij. 
'Ja, lekker!' smakte Vuursteentje. 'Mijn lievelingseten.'
Johan slikte. Zo dadelijk moest hij overgeven. Geen denken aan dat hij dat ging eten. 
'Of je kan de appels proberen. Ze zijn eetbaar, hoor.'
Johan haalde opgelucht adem. Hij liep naar de boom en trok er een van de appels af. De schil was schilferig, als van een schuurpapier. Was Vuursteentje zeker dat ze eetbaar waren? Ook voor een mens?
Voorzichtig nam hij een hap. Het vel kraakte tussen zijn tanden. Het smaakte een beetje zoals een gesuikerde appel op de kermis: mierzoet, maar best lekker. Hij wachtte even om zeker te zijn dat er niets gebeurde. Hij nam een tweede hap. Het vruchtvlees was zacht en romig en deed hem denken aan een fruittaart met pudding. Er waren slechtere dingen om als avondmaal te krijgen. Soms waagde zijn moeder het spruitjes op tafel te zetten. Bweik! Hij verscheurde de appel met smakelijke happen. Er knapte iets tussen zijn tanden. Het kraakte zo luid dat Vuursteentje opschrikte. Uit zijn bek vielen enkele stukjes glimworm van het schrikken.

'Wacht!' riep hij, 'Dat vergat ik te zeggen. Niet het binnenste ope...'

Balletjes rolden in Johans mond en knapten een voor een. Het veroorzaakte een sensatie die Johan nooit eerder gevoeld had. Zijn tong tintelde, elektrische tintelingen gleden door zijn keel, door zijn buik en eindigden in zijn benen. Die begonnen eerst zacht te trillen. De trilling werd erger, hij kon ze niet langer stilhouden. Zijn knieën bewogen naar binnen en buiten, zijn tenen wipten op en neer. Het duurde niet lang voor hij rondjes draaide, zonder dat hij er controle over had. Steeds sneller en sneller tolde hij door de ruimte. Tevergeefs probeerde hij zich vast te klemmen aan een van de druipsteenzuilen. Het tollen stopte, maar nu sprong zijn achterwerk op en neer.

'Help!' gilde Johan. 'Doe iets!'
Vuursteentje's ogen volgden de rondspinnende Johan. 'Rustig,' zei hij, 'dadelijk stopt het vanzelf.'
'Vanzelf? Hoelang gaat dat duren?' schreeuwde Johan hijgend.
'Dat hangt ervan af. Soms stopt het snel, soms kan het een uur duren.'
'Wat?!' Johan wierp een moordende blik naar Vuursteentje, al was dat moeilijk vol te houden als je van hier naar daar host. 
'Je had maar niet zo dom moeten zijn om de dansstenen op te eten. ' Vuursteentje schudde met zijn schouders en at verder van zijn glimwormen.
'Jij hebt me niets verteld!'
'Iedereen weet dat je het binnenste van de apperuiven niet mag opeten,' smakte Vuursteentje.
'Ik niet, domoor! Ik ben hier nog nooit geweest. Hoe kan ik dat weten?'
'Domoor, domoor. Let op je woorden. Ik ben niet degene die hier als een onnozelaar staat te discodansen.'
'Jouw schuld!'
'Nietes.'
'Welles!'
De minuten tikten voorbij. Johans benen bleven onverbiddelijk dansen. Het leek oneindig door te gaan. Langzaam werden zijn bewegingen trager, tot ze helemaal stilvielen. Uitgeput en bezweet zakte Johan in elkaar. Verbijsterd staarde hij naar de half opgegeten vrucht.
Vuursteentje volgde zijn blik. 'Nog een stukje?' vroeg hij met zijn mond vol vermalen glimwormen.

'Nee!'gilde Johan. 
Zijn drakenvriend veegde met zijn rechtervoorpoot het kwijl van zijn bek. 'Nog een spelletje?' vroeg hij enthousiast, alsof er niets gebeurd was. 

Johan schudde snel zijn hoofd. Hij hield zijn hand voor zijn mond in de hoop een geeuw te onderdrukken. 
'Ik ben moe. Ik wil slapen.'
Teleurgesteld keek Vuursteentje zijn nieuwe vriend aan.
'Nu al? We hebben bijna niet gespeeld.'
'Ik ben echt moe van dat stomme dansen. Trouwens, thuis lig ik al lang in bed.'
Hij wierp een blik op zijn horloge. Hij was nog steeds fier op het glimmende gele ding, dat hij voor zijn verjaardag van opa kreeg. 'Nu ben je echt een grote jongen,' had die gezegd. Daarvoor vond Johan kloklezen maar onzinnig. Zijn ouders wisten toch altijd hoe laat het was? Dankzij het horloge van opa had hij geleerd dat het handig was om zelf altijd te weten hoe laat het was. Zo wist hij ook wanneer mama hem fopte bij het slapengaan. 'Kom, Johan, het is slaapjestijd,' zei ze dan. 'Nee,' protesteerde hij dan. 'Het is nog maar  5 voor 8. Slaapjestijd is om 8 uur.'

'Het is al kwart na tien,' deelde hij mee aan Vuursteentje.
'En?'
'Dat is laat.'
'Dat is het niet. Ik slaap nooit als de maan nog zo fel is.'
'Wanneer slaap jij dan?'
'Als de zon opkomt.'
'Jij slaapt dus overdag.'

Vuursteentje knikte. 'Draken zijn nachtdieren.'
'Mensen niet.' Johan geeuwde opnieuw. 'Doe wat je wil, ik ga slapen.'
Vuursteentje keek nog steeds teleurgesteld. Plots flakkerden de vlammen in zijn ogen op en verscheen er een grote glimlach om zijn lippen. 
'Goed, slaap  maar. Ik zal de wacht houden.'
Voor Johan was het allemaal prima. Hij deed zijn trui uit, vouwde die als een dekentje onder zijn hoofd en legde zich te rusten. Het duurde niet lang voor hij zich in dromenland bevond.

 

 

 

 


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.