Schimmen op het strand

De echo van de misthoorn bereikte de stad voordat de schepen zwarte schaduwen konden werpen op de oevers van de rivier. Chaos verspreidde zich vanuit de rivierbanken tot binnen de stadsmuren. Het geschreeuw van de stedelingen drong door de raamopeningen naar binnen. Een beving trok door de vloer, een gedreun zwol aan en explodeerde in een luide knal.
Saphira zocht steun tegen een van de marmeren zuilen. Het voelde alsof het hele gebouw elk moment kon instorten. Een ding was zeker: het was geen aardbeving of ander natuurgeweld. De dreiging was veel tastbaarder, daarom niet minder beangstigend. Geruchten waren overgewaaid vanuit Qadis. De rookpluimen afkomstig van nabijgelegen dorpen voorspelden weinig goeds. De enige hoop was dat die berichten emir Abd al-Rahman ook ter ore waren gekomen. Ze overzag de bedrijvigheid in de grote zaal, waarvan de deuren in allerijl met zware balken vergrendeld werden. Bewakers verzamelden zich aan weerskanten, tot de tanden bewapend. Hun afhangende schouders verrieden dat ze de uitkomst van deze dag vermoedden.

Dag des oordeels

Vrouwen vielen snikkend in elkaars armen of verstopten zich. Majus, fluisterde het meisje naast haar herhaaldelijk, meer tegen zichzelf dan tegen haar. Ze had haar armen rond zich heen geslagen en wiegde zichzelf. De wanhoop in haar smaragden ogen was ondraaglijk. Saphira keek weg en schuifelde naar een van de smalle raamkozijnen. Voorzichtig hees ze zich omhoog. De ruwe wanden krasten haar wijnrode gewaad. Het geluid werd overstemd door wapengekletter en doodsgereutel voor de poorten van het paleis. Haar blik ving als eerste de verkruimelde stadsomwalling en de likkende vlammen die de moskee verteerden. De woorden van het meisje dreunden terug door haar hoofd. Alleen Majus zouden het wagen hun heiligdom zo te onteren. Ook in Brittania en Francia hadden ze lelijk huisgehouden, zonder respect voor de heiligdommen en inwoners. Niemand had ooit kunnen vermoeden dat ze tot hier zouden geraken. Het Hoge Noorden was ver weg, blijkbaar niet ver genoeg. Ze hadden het westen van Europa leeggeplunderd, wij waren de volgende. Schepen vulden de rivier tot zover het blote oog kon waarnemen. De drakenkoppen op de boeg maakten duidelijk dat het geen handelsschepen waren.
Een golf van ruige mannen overspoelde de stad. Het moesten er duizenden zijn. De vijand beukte met bijlen en zwaarden op hen in. De stadswachten waren niet opgewassen tegen deze overmacht. Hun vechtende lijven versmolten in een kluwen van marmer en brons.
Saphira liet zich zakken, bedekte haar oren en sloot de geluiden van paniek en chaos buiten. Ze negeerde het gejammer van de andere vrouwen, ze kon ze niet helpen.
Het slaande geluid van metaal op metaal ebde geleidelijk weg en maakte plaats voor het gedreun van voetstappen in de gangen. Vreemde tongen lanceerden strijdkreten door de lege zalen. De bewakers met getrokken kromzwaarden waren de laatste barricade tussen haar en de dood.
Saphira vreesde de dood niet, het alternatief was erger. Zelfs al waren de elitetroepen uit Cordoba onderweg, dan nog kwam alle hulp te laat. Tegen de tijd dat de soldaten van de emir hen bereikten zou Ishbiliya herleid zijn tot een brandende poel van dood en verderf. In het beste geval vonden ze haar verminkte lijk boven op een stapel andere slachtoffers. In het slechtste geval bevond ze zich als slavin op een schip op weg naar onbekende bestemming.
Het versplinteren van de deur doorkliefde haar macabere gedachten. De overgebleven soldaten waren geen partij voor de reuzen die het heiligdom van haar echtgenoot onteerden. De overheersers baanden zich een weg over hun lijken alsof het tapijten waren. Geschreeuw vulde het verblijf, gewaden en vlees scheurden. Haar voeten leken aan de grond genageld. Mannen met bloed en verf op hun gezicht verdrukten zich rond haar. Ze was vertrouwd met geweld, het maakte deel uit van haar dagelijkse realiteit. Haar

echtgenoot kende tederheid noch mededogen. Ze konden haar lichaam krijgen, niet haar waardigheid. Ze weigerde te schreeuwen en klemde haar lippen op elkaar op het moment dat hun ruwe vingernagels over haar rondingen schuurden. Hun stinkende adem sloeg haar in het gezicht, hun speeksel brandde op haar huid. Ze staarde naar een punt in de verte en probeerde haar lichaam te verlaten voordat het onvermijdelijke plaatsvond.
Onverwacht boorden zijn ijsblauwe kijkers zich in de hare, een grijns verscheen op zijn gezicht. Zijn blonde haar, tot een staart bijeengebonden, hing in klitten en had een rode schijn aan het uiteinde. Met grote passen baande hij zich een weg door de massa, terwijl andere handen bruut zijde van haar lijf rukten. Ze sloot haar ogen en kneep haar vingers samen tot het bloed eruit verdween. Gebrul drong haar gehoorschelpen binnen. Een krachtige ruk schudde de grijpgrage handen van haar af. Ze viel tegen een massief obstakel aan en opende haar ogen. De blonde krijger had haar met een arm tegen zich aangedrukt. Een tekening van twee enorme vleugels omspande zijn bleke borstkas. Zijn andere arm zwaaide gebald naar de anderen. Een van de mannen protesteerde en greep opnieuw haar arm. Hij wierp de nieuw verschenen Viking hatelijke woorden toe, die ze niet begreep. De reus leek niet onder de indruk. Hij snauwde iets, sloeg de hand weg en trok haar terug naar zich toe. De mannen maakten ruzie om haar. Een trofee, dat was ze. Een vette kluif waar beesten om vochten.
Saphira loenste naar haar vrije arm. Blauwe strepen markeerden de plaats waar vingernagels haar huid hadden beschadigd. De warmte die in haar andere arm drong maakte haar misselijk. Ze durfde niet op te kijken naar de bron. De andere mannen dropen mompelend af, met onderdrukte woede in hun ogen. Ze omknelde met een hand de restanten van haar harembroek in een wanhopige poging zichzelf te beschermen.
Met een vinger liftte hij haar kin omhoog, voor de tweede keer ontmoette ze tegen haar wil zijn blik. Koppig sloeg ze haar ogen neer, wat een grom ontlokte bij de geweldenaar. Struikelend liep ze achter hem aan, als een hond aan een leiband. Ze verloor haar evenwicht. Haar val werd gebroken door een hoop zachte materie. Ze lag tussen de bebloede benen van een levenloos lichaam.
Twee smaragdgroene ogen staarden nietsziend naar het plafond. Een rode streep liep over de keel van het dode meisje. De donkere uitlopers ervan besmeurden haar ontblote borsten.
De krijger tilde Saphira op alsof ze een pluimpje was. Hij sleurde haar mee, weg van de gruwelijke taferelen die rond haar plaatsvonden, tot op een deinend schip.
Ze staarde naar de karmijnrode vegen op haar armen en kleren, de voorbodes van het lot dat haar te wachten stond.

Speelbal der Goden

Einar glunderde. Koning Hastein en Bjorn mochten tevreden zijn. Hun schepen keerden met buiken vol schatten terug. De vondst van de vrouwen was de kers op de taart. Zijn oog ontmoette twee ebbenhouten parels, gehuld in een zee van zijde. De belofte van scharlaken lippen schemerde door de stof, een enkele zwarte lok ontsnapte eraan. Het gerinkel van armbanden was het enige protest tegen het lot dat haar wachtte. De kracht die van haar ranke lichaam afstraalde overweldigde hem. Wie was ze? Een geschenk van de Goden, de verpersoonlijking van Freya? Hij baande zich een weg door krioelende lijven en negeerde het geschreeuw dat met een gewonnen veldslag gepaard ging. Het lot van deze mensen liet hem koud, alleen die ene diamant wilde hij voor zichzelf. Hij duwde zijn strijdmakkers weg en greep haar arm. Haar huid voelde als warm satijn en had de kleur van mahoniehout. De mannen dropen af, met onderdrukte woede in hun ogen.
Ze struikelde en viel tegen hem aan. Haar rood beschilderde handen zetten zich af tegen de impact.
Een golf van bloesem en exotische kruiden spoelde over hem heen. Het contrast met zijn eigen geur, de geur van oorlog, bloed en verschaald zweet, was enorm. Haar neus rimpelde,  

ze sloeg haar ogen neer. Natuurlijk walgde ze van hem. Waarom deed hem dat in Odins naam iets? Ze was oorlogsbuit, hij kon doen met haar wat hij wilde. Hij sleepte haar zwijgend door de straten, tot ze zijn schip bereikten.
‘Deze vrouw is van mij,’ wierp hij zijn wapenbroeders nogmaals toe.
Sommigen gromden in zichzelf, niemand durfde hem openlijk tegen te spreken. Aangekomen op het schip, duwde hij haar hardhandig in het ruim. Ze was klein en frêle en hield zich amper staande. Hij bond haar handen en maakte het touw vast aan een metalen haak in een uithoek van de ruimte. Nieuwsgierig trok hij het doek weg dat haar gezicht verborg. Ze was nog mooier dan hij dacht. Haar trillende lip en de ingehouden woede in haar donkere, zwart omrande ogen deden niets af aan haar schoonheid. Angst zag hij niet, of ze kon het goed verstoppen. Zijn vingers dwaalden over haar gezicht, dat ze woest wegdraaide. Een welgemikte klodder spuug miste rakelings zijn linkeroog. Haar mond spuwde woorden, die hij niet hoefde te begrijpen om te weten dat het geen complimenten waren. Hij veegde het plakkerige goedje van zijn gezicht en lachte.
‘Je hebt pit, liefje. Ik tem je wel. Eet en kweek wat vlees aan je botten.Hij wierp haar een appel toe.
Ze volgde het rollende voorwerp met argusogen. Haar gebonden handen maakten geen aanstalten richting het voedsel.
‘Moet ik je soms voeren?’ snauwde hij en bracht de appel naar haar mond. Ze kneep haar lippen op elkaar en draaide opnieuw haar gelaat weg.
‘Binnen enkele dagen piep je wel anders,’ sneerde hij met een grijns op zijn gezicht.

Saffier van de zeven zeeën

Zijn schip, volgeladen met goud en slaven, verliet de verwoeste stad. Enkele schepen volgden in zijn kielzog. Het merendeel van zijn strijdmakkers bleven achter om zich te wentelen in alle geneugtes die de stad te bieden had. Eerst had hij gebaald bij het vooruitzicht dat te moeten missen. Hij troostte zich met de gedachte dat er nog meer plundertochten kwamen. Dit was nog maar het begin. Dit was de vierde stad die ze innamen en het was zeker niet de laatste. Die gebruinde messentrekkers waren geen partij voor hen, ze hadden niet eens een deftige vloot. Dit gebied was een goudmijn. Verwachtingsvol kroop hij opnieuw in het ruim. Hij meed de blikken van de mannen die her en der dronken tegen de wanden lagen. Hij wist dat ze hem beneden. Zijn oorlogsbuit was een meer dan waardige troostprijs. Er was reden genoeg om zijn slaapplaats in de gaten te houden. Gelukkig zorgde zijn rang voor een zekere terughoudendheid bij zijn reisgenoten.
Zijn komst verliep synchroon met een haastig gescharrel in de uithoek van de ruimte. Ze klemde haar lippen op elkaar zodra ze hem in het vizier kreeg en keek hem brutaal in de ogen. Zijn blik dwaalde van haar gezicht naar de onaangeroerde appel op de grond. Ze was een volhouder. De nagelsporen op zijn schouder, die ze hem de vorige avond bezorgde, flakkerden even op ter bevestiging. Einar volgde de toestand van zijn gevangene op de voet. Ze hield haar hongerstaking twee dagen vol. Ook slapen deed ze amper, ‘s nachts voelde hij haar razende ogen op hem brandden. Hij twijfelde er niet aan dat ze een mes tussen zijn ribben zou planten, als ze daar de kans voor zou krijgen.
De derde dag vond hij haar languit op de grond. Onrust borrelde op in zijn binnenste. Wat als ze de reis niet overleefde? Hij begreep niet waarom hij zich dat afvroeg. Nooit eerder was hij bezorgd geweest om het lot van zijn slaven. Voorzichtig drapeerde hij een pelsmantel over haar. Een rimpel trok door haar oogleden, alvorens ze die opende. Ze zag wie er over haar heen gebogen zat, veerde op en deinsde achteruit. De pelsmantel trok ze op tot over haar schouders.
‘Eet alsjeblieft,’ herhaalde hij. Voor het eerst klonk er mildheid in zijn stem.
Ze keek hem argwanend aan. De haat en vechtlust leken uit haar blik verdwenen. Ze liet haar armen zakken, waardoor de mantel van haar afviel. Trillend stak ze haar armen naar

voren.
‘Vast,’ sprak ze met schorre stem. ‘Los?’
Hoe had ze zo snel hun taal opgepikt?
Als je krabt of bijt, bind ik je vast als een worst,’ waarschuwde hij. Hij sneed het touw door met een enkele houw en gaf haar een kom met voedsel. De vluchtige aanraking van haar vingertoppen liet een elektrische tinteling achter in zijn handpalm. Ze at alsof ze in jaren niet meer gegeten had. Ze slikte de laatste hap door, hij knikte in de richting van zijn leren slaapzak. Ze verstarde, haar onderlip trilde.
‘Dat bedoel ik niet.’ Hij vouwde zijn handen tegen elkaar en legde ze tegen zijn wang. ‘Slapen. Als je wilt.’
Haar schouders ontspanden zich. Voorzichtig krabbelde ze recht en schuifelde naar voren. Hij hield haar tegen.
‘Eerst dit,’ zei hij, terwijl hij een nieuw touw omhooghield. ‘Ik vertrouw je voor geen haar.’
Met een zucht stak ze haar armen naar voren, een frons van ergernis tekende zich af tussen haar wenkbrauwen. Hij pakte haar op, een gil ontviel haar. Hij legde haar neer alsof ze van glas was en bedekte haar opnieuw met de mantel.
‘Slaap wel.
Hij nam een van de pelsen die her en der lagen en installeerde zich naast haar op de grond. De volgende ochtend bekeek Saphira met grote ogen de slapende reus aan haar zijde.

De weken gleden voorbij als schuim op het water. Ze leerde steeds meer woorden. Hun gesprekken waren met momenten aangenaam te noemen. Ze vertelde, met haar aandoenlijke tongval, sprookjesachtige verhalen over haar land. Af en toe spuwde ze de naam van haar voormalige gemaal uit als vergif. Het weinige respect dat hij voor de man had, verdween als sneeuw voor de zon. Hij had haar naam weten te ontfutselen, hij klonk als muziek in zijn oren. Een idee rijpte in zijn gedachten.
‘Ik ga naar boven.
Het lichtjes tuiten van haar bovenlip wees op teleurstelling.
‘Wil je mee?’ vroeg hij langs zijn neus weg.
‘Ik? Boven?’
Hij knikte achteloos.
Ze dacht kort na. ‘Ja,’ zei ze. ‘Ik graag boven.’
Hij reikte zijn hand. Tot zijn verbazing legde ze haar fijne vingers erin, ze leken te verdwijnen in zijn kolenschop. De figuren op haar handen waren vervaagd tot zacht bruine schaduwen.
Ze leunde tegen de boeg, de wind waaide haar onbedekte lokken door elkaar. Ze leek haar sluier niet te missen. Met gesloten ogen liet ze haar lichaam meedeinen op de golven. Zijn zware mantel hing over haar smalle schouders, het merendeel hing als een sleep achter haar aan.
Hij steunde tegen de mast en observeerde haar. Het feestgedruis beneden stond in schril contrast met de sereniteit in zijn binnenste. Voor hen lag de grillige kustlijn van zijn thuisland. Een waterval kletterde tussen de overhangende begroeiing door.
Heel even gluurde ze naar hem, een stiekeme glimlach dwaalde gedurende enkele seconden om haar lippen.
Zou ze hier kunnen aarden? Bij hem? Naast hem? Saphira, de saffier van de zeven zeeën. Zijn werkelijke verlangen drong tot hem door. Het was niet haar lichaam dat hij wilde, maar haar gevatte geest en fijnzinnige karakter. En haar hart, zoals zij ook het zijne bezat.

Wraak van Cordoba

Abd-al Rahman overzag de bedrijvigheid op de marktplaats. Handelaren voerden goederen af en aan, stedelingen struinden door de straten. Alles verliep rustig en vreedzaam. Voor hoe lang nog? Nu de Vikingen Sybilihia in handen hadden, zou het niet lang duren voor hun

drakars ook hier hun opwachting maakten. Als alles goed ging, bereikten zijn elitetroepen nu ongeveer de getroffen stad. De onzekerheid knaagde in zijn binnenste. Zijn soldaten waren driest en goed getraind. Was dat voldoende om te slagen? Hij had de juiste man gestuurd om hen aan te voeren, Isa Ibn Shuhayd. Hij vertrouwde hem met zijn eigen leven. Als er iemand de Majus kon verdrijven, was hij het. Ze zouden hun vel duur verkopen. Hij stierf liever dan dit prachtige rijk over te dragen aan die goddeloze barbaren.
Eens de stad terug in zijn handen was, zou hij een gigantisch Paleis laten bouwen. Niemand zou ooit nog aan zijn macht durven twijfelen.

 

 

 


« 

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.