Literaire terugkeer naar mijn geboortedorp

Gepubliceerd op 13 december 2020 om 11:52

Ik las over het debuut van Lize Spit in een magazine en voelde meteen dat het wat voor mij kon zijn. Ik wist ook dat het verhaal onder mijn huid zou kruipen. ‘Het is geen vrolijk boek’, zei de medewerkster van de bib, ‘het opgroeien in een klein dorp is zeer herkenbaar.’
Nu ik het boek uit heb, kan ik het alleen maar met haar eens zijn. Ik zat nog maar op bladzijde dertig en had al drie keer moeten slikken. De spanning die in het verhaal zit, bouwt zich traag maar onverbiddelijk op. Je weet wat er gaat gebeuren. Toch hoop je tegen beter weten in dat je ongelijk hebt.

Beklemmende dorpsmentaliteit

Verder was het inderdaad op bepaalde punten herkenbaar: het opgroeien in een klein katholiek Vlaams dorp, de (seksuele) bekrompenheid die daar soms mee gepaard gaat, moeders die de zonden van zonen bedekken onder de mantel der liefde, meisjes die elkaar wegconcurreren en daarvoor geen methodes schuwen. Ik verliet mijn geboortedorp met meer nare herinneringen dan aangename en een reeks labels waar de gemiddelde reality ster van kan dromen. Mijn lichaam kwam ongeschonden uit de strijd, over mijn hart kon ik helaas niet hetzelfde zeggen.

Het zorgde voor een oprecht dilemma, wanneer de man van mijn leven en ik vier jaar geleden ons droomhuis tegenkwamen op immoweb. Een woning, die op een boogscheut lag van alle plaatsen die ik weggedrukt had achter een stalen deur in mijn geheugen. Het was alsof de duivel ermee gemoeid was.
Met een klein hartje waagde ik de sprong.
Welke spoken uit het verleden zou ik tegenkomen? Zouden ze achter mij staan bij de bakker, met een onschuldige grijns en een ‘lang geleden, hoe is ‘t?’ die over hun lippen tuimelt?
Zou ik in elkaar kruimelen, tot er niet meer over was dan een schriele mus, op zoek naar pieren in de grond?

Thuiskomst

Daar dacht ik aan, bij de thuiskomst in mijn geboortestreek. Niet met een blok ijs in de koffer, wel een auto volgestouwd met verhuisdozen. Bob Marley kwelde ‘no woman no cry’ door de boxen.
Het daagde me stukje bij beetje: dit was een nieuwe start. Ik was geen bang vogeltje meer, maar een feniks met vleugels die een spanwijdte hebben van minstens twee meter.


«   »

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.